Britse tijdelijke vliegvelden

Een blik op de kaart van Groot Brittannië van begin 1944 doet vermoeden dat het land één groot vliegveld was; in de dicht bevolkte gebieden leken de vliegvelden aaneen te grenzen.

De aanleg van vliegvelden was sinds het begin van de 2e wereldoorlog met een enorme snelheid toegenomen en besloeg op dat moment een gebied van meer dan 1000 km2. Voor de 1e wereldoorlog bestonden er slechts 7 vliegvelden, een aantal dat in november 1918 was toegenomen tot 301. Toen kwam de naoorlogse afname en in 1924 waren er nog maar 26 militaire vliegvelden en 17 burger vliegvelden open. De groei kwam weer in 1935 en tegen 1938 waren er alleen al meer dan 100 militaire vliegvelden. Tussen 1938 en 1944 namen het aantal en de afmetingen dusdanig toe dat ze bijna de grens van alle beschikbare grond bereikten. De ontwikkeling van grotere vliegtuigen met een grotere draagcapaciteit en hogere landingssnelheden maakten grotere vliegvelden noodzakelijk, terwijl de gestage toename van het aantal RAF bommenwerpers, de gevechts- en kustcommando’s en de komst van nieuwe vliegtuigen de aanleg van nieuwe vliegvelden noodzakelijk maakten.

Het probleem van vliegveld ruimte en de onvermijdelijke aantasting van landbouwgrond was al voorspeld in 1938 toen er besloten was om over te gaan op verharde landingsbanen om de ruimte nodig voor het landen en opstijgen te beperken. Toen de zware bommenwerper hun intrede deden bleek het ook nodig drie verharde start- en landingsbanen per vliegveld aan te leggen die onder een hoek van 60 graden ten opzichte van elkaar in een driehoek stonden. De eerste vliegvelden waren 1000 meter lang en de totale oppervlakte aan verharde start- en landingsbanen was gelijk aan een 10 meter brede weg van 15.000 kilometer lang. Bij de keuze van vliegveldlocaties deden zich een aantal problemen voor. Groot Brittannië is een golvend landschap en in het vlakke landschap van Cambridgeshire is de moerassige grond onbruikbaar.

Gedurende de oorlog ging de RAF over van graslandingsbanen naar verharde landingsbanen waarbij beton of soepele verhardingen met teermacadam gebruikt werden. Het was een nagenoeg op zich zelfstaande gevechtseenheid compleet met slaapplaatsen, eetzalen, kantoren, constructiewerkplaatsen en munitieopslagplaatsen. De gemiddelde kosten voor een vliegveld voor zware bommenwerpers in die tijd werden geschat op een half miljoen pond (€600.000). Gedurende de periode 1939 tot 1945 werden er 444 RAF vliegvelden aangelegd in Groot Brittannië hetgeen meer dan 200 miljoen pond (€250.000.000) heeft gekost aan landingsbanen en parkeerplaatsen voor vliegtuigen. Niet inbegrepen hierin zijn de kosten voor gebouwen. Er werden 800 individuele contracten aanbesteed aan meer dan 136 aannemers. In totaal werd er meer dan 146 miljoen m2 beton, asfalt of andere verhardingen gelegd aan start- en landingsbanen en aan taxibanen. Op het hoogtepunt in 1942 waren er 60.000 man werkzaam bij burger weg- en waterbouwkundige werkzaamheden aan vliegvelden in Groot Brittannië. Tegen het einde van 1944 maakte het ministerie van luchtvaart bekend dat de kosten voor de aanleg van vliegvelden voor de RAF en de USAAF geschat werden op 615 miljoen pond (€750.000.000).

Direct na D-Day op 6 juni 1944 begon de Airfield Construction Service (ACS) met de aanleg van z.g. vooruitgeschoven tijdelijke vliegvelden in Normandië ter ondersteuning van het bevrijdingsleger in Europa. Deze vliegvelden werden ook wel Advanced Landing Grounds genoemd, ALG’s. ALG’s waren complete vliegvelden met onderhoudsfaciliteiten, meteo en andere ondersteuning, alles ondergebracht in tenten. Hier waren ook de squadrons gestationeerd.

Anders dan de permanente vliegvelden in Groot Brittannië, die ontworpen waren voor strategische bombardementen op Duitsland, waren de tactische gevechtvliegvelden op het vaste land slechts tijdelijk. Het waren vaak geïmproviseerde vliegvelden voor het gebruik van tactische luchtmachttroepen ter ondersteuning van het leger dat in gevecht was met de vijand. Op het moment dat de frontlijn buiten bereik van de vliegtuigen kwam schoven de squadrons weer op naar nieuw aangelegde vliegvelden dichter bij de grondtroepen. Het oude vliegveld werd simpelweg opgeheven of achtergelaten voor andere ondersteuningsdoeleinden.

Om veiligheidsredenen (men was bang dat de uitspraak van buitenlandse plaatsnamen voor verwarring zou zorgen) kregen de vliegvelden een codenummer in plaats van een plaatsnaam. Amerikaanse vliegvelden kregen het voorvoegsel A-, Y-, of R-, en een nummer oplopend tot 99. Britse vliegvelden kregen het voorvoegsel B- en een nummer oplopend tot 156. Zie: Overzicht Airstrips in Europa. Het nummeringsysteem was ononderbroken en in volgorde van toekenning. Het had dus niets te maken met een bepaalde plaats of met de datum van ingebruikname. Het eerste Britse vliegveld, B1 Asnelles-sur-mer, was een noodvliegveld slechts geschikt voor noodlandingen. B2 in Bazenfille werd aangelegd om bij te tanken en te herbewapenen. B3 in St Croix-sur-mer idem dito. B3 is later een volledig ALG worden. In totaal zijn er door de Britten en Amerikanen op het vasteland van Europa vele honderden tijdelijke vliegvelden aangelegd. Airstrip B91 – Kluis bij Nijmegen – was er daar één van.

Bron: The Royal Air Force, Airfield Construction Service 1939-1945, by Anthony Betts.